Inleiding Onlangs presenteerde het Instituut voor Maatschappijwetenschappelijk Onderzoek (IMWO) van de Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS) het

elfde nummer van His/Her Tori, tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur. Dit themanummer, getiteld Cinema in Su, belicht de film- en bioscoopcultuur in Suriname en bevat twaalf artikelen.
Centraal in deze bespreking staat de bijdrage van de Nederlandse historicus Thunnis van Oort: Het bioscooplandschap van Suriname: een geschiedenis van filmvertoning in vogelvlucht. De auteur beschouwt zijn artikel als een basaal overzicht en een uitgangspunt voor verder onderzoek. Zijn bescheidenheid doet echter geen recht aan de vele interessante historische feiten die hij naar voren brengt.
Zo blijkt dat de eerste filmvoorstellingen in Suriname in 1898 plaatsvonden in de Sociable Hall, die Christiaan George Heilbron aan de Gravenstraat had geopend. Vervolgens vonden voorstellingen plaats in theater Thalia, waarna Heilbron ze weer naar zijn eigen zaal verplaatste. In juli 1899 veroorzaakte de vertoning van de sensationele Coochie Coochie, een Spaanse dans, in Thalia grote ophef vanwege het vermeend onzedelijke karakter. Begin twintigste eeuw vertoonden rondreizende gezelschappen incidenteel films in Thalia. Het ging om stomme films, soms begeleid door muziek.
De eerste bioscopen
In 1911 begon in Thalia een nieuwe bioscooponderneming, voorzien van een eigen stoommachine voor elektriciteitsopwekking. Een jaar later kreeg Thalia concurrentie van het Kino-Theater Scheurlen aan de Keizerstraat. Ook de firma Pathé Frères organiseerde regelmatig filmvoorstellingen aan de Gravenstraat. In 1913 verhuisde deze bioscoop naar de Domineestraat en kreeg zij de naam Bellevue. Het gebouw bood plaats aan negenhonderd bezoekers.
Bioscoopbezoek was aanvankelijk een kostbare aangelegenheid. Zelfs de goedkoopste toegangskaartjes kostten ongeveer evenveel als het dagloon van een arbeider. Pas in de jaren twintig en dertig werd filmvermaak toegankelijker voor een breder publiek. In 1920 opende de Leliebioscoop.
Krantenadvertenties bieden inzicht in de programmering van die tijd. De films waren afkomstig uit verschillende landen, waaronder Nederland, de Verenigde Staten en andere Europese en Caribische gebieden.
Geluidsfilm en nieuwe bioscopen
In 1931 werd de eerste geluidsfilm in Suriname vertoond in het in 1930 nieuwgebouwde Bellevue-theater, geruime tijd nadat geluidsfilms in het buitenland hun intrede hadden gedaan.
De gebroeders Karamatali openden in 1931 Cinema Elize aan de Zwartenhovenbrugstraat, tegenover het Sivaplein. Deze bioscoop werd later opgevolgd door Luxor, gevestigd in een nieuw gebouw aan dezelfde straat.
Cinema Elize kwam ook in opspraak vanwege een incident met Anton de Kom. De directie annuleerde op het laatste moment de verhuur van een zaal die hij had gereserveerd voor een lezing over de Surinaamse geschiedenis. De Kom uitte zijn verontwaardiging over het feit dat een sensationele wildwestfilm kennelijk voorrang kreeg boven een lezing die voor het gehele Surinaamse volk bedoeld was.
Opmerkelijk is dat Trinidad en Brits-Guyana in de jaren dertig de belangrijkste distributiecentra voor films in Suriname waren, gevolgd door de Verenigde Staten en Nederland.
De opkomst van Indiase films
Voor de Hindoestaanse gemeenschap betekende de komst van Indiase films veel meer dan ontspanning. Zoals Anil Ramdas in 1992 schreef, droegen deze films bij aan cultureel zelfvertrouwen en het behoud van de eigen identiteit. In een koloniale samenleving waarin Hindoestanen vanwege hun kleding en taal werden bespot, bood de Indiase film een positief beeld van de eigen cultuur.
De eerste Indiase film die Suriname bereikte, was Bala Joban (Jeugdige schoonheid), geproduceerd in India in 1934 en via Trinidad in 1936 naar Suriname gebracht.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen de vertoningen van Indiase films stil te liggen. Na de oorlog keerden ze terug in het wekelijkse programma. Johannes Mungra, bijgenaamd Mighty Mung, was een bekende distributeur en werkte voor India Overseas Distributors. Later ontstonden gespecialiseerde bioscopen, waaronder de Paarl en Jasodra, die beide in 1958 werden geopend door respectievelijk K. Kharagjitsingh en J.R. Manichand.
De familie De la Fuente domineerde lange tijd de bioscoopsector met onder meer Bellevue, Tower en Star. In 1963 nam zij ook het Luxor-theater van de gebroeders Karamatali over.
Bioscopen buiten Paramaribo
Ook buiten Paramaribo werden films vertoond, zowel in bioscopen als in andere gebouwen, met name op plantages. Nieuw-Nickerie werd destijds zelfs omschreven als een district ‘vol kino’. Het woord kino kon zowel naar een bioscoop als naar een film verwijzen.
Sital Sing opende in 1924 de eerste bioscoop in Nickerie. Naar verluidt vertoonde hij al sinds 1911 bewegende beelden met behulp van een handbediend toestel. Vervolgens verschenen concurrenten, onder wie de familie Durga en de Guyanese ondernemer Amin Sankar. Laatstgenoemde bouwde in 1949 het Juliana-theater aan de Gouverneurstraat, met 750 zitplaatsen. Nickerie beschikte bovendien over een eigen filmkeuringscommissie, mede omdat veel films rechtstreeks uit Guyana werden ingevoerd.
Bloei en neergang
In de jaren zestig en zeventig beleefde het Surinaamse bioscoopwezen zijn hoogtepunt. In 1975 telde het land 39 bioscopen. De dominante positie van de familie De la Fuente maakte geleidelijk plaats voor die van de familie Teelucksingh uit Trinidad en Tobago.
Volgens mijn aanvullende informatie verkochten de Teelucksinghs later de bioscopen Star en Tower aan respectievelijk René Jadnanansing en Harry Tewarie. Tewarie verkocht Tower vervolgens aan Self Reliance, dat de oorspronkelijke voorgevel van het theater in zijn moderne gebouwencomplex behield.
In de jaren tachtig begon de dramatische neergang. De avondklok die het militaire regime in 1980 invoerde, speelde daarbij een rol. Belangrijker was echter de opkomst van de videorecorder, een ontwikkeling die ook internationaal gevolgen had voor bioscopen. Veel voormalige filmpaleizen werden gesloopt, raakten in verval of kregen een andere bestemming, bijvoorbeeld als casino of winkelcentrum.
Pas in 2010 kreeg Suriname er met TBL Cinemas, gevestigd in de Hermitage Mall, weer een volwaardige multiplexbioscoop bij. Eddy Wijngaarde speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming ervan.
Een waardevolle historische bijdrage
Van Oort beschouwt zijn artikel als een fundament voor verder onderzoek naar het Surinaamse bioscoopwezen. Het is te hopen dat zijn bijdrage jonge wetenschappers inspireert om deze belangrijke culturele geschiedenis verder uit te diepen.
Naast het hoofdartikel bevat His/Her Tori elf andere bijdragen. Hilde Neus schreef drie artikelen en Jerry Egger twee; beiden zijn tevens betrokken bij de redactie. Andere auteurs zijn Carlo Jadnanansing, met een bijdrage over Pim de la Parra, Tessa Leuwsha over Mama Sranan, Maurits Hassankhan over Hindoestaanse films in zijn leven, Fausia Abdul over de verbeelde natie, Luna Hupperets over Oema fu Sranan en Surinaamse vrijheidsfilms, en James Burns over bioscoopbezoek in Guyana.
Bibliografische gegevens: Cinema in Su, His/Her Tori, nr. 11, oktober 2026. IMWO, ADEKUS, 160 pagina's. Prijs: SRD 700,= (€ 20).
Carlo Jadnanansing