José Mourinho heeft zich in aanloop naar de competitiewedstrijd van Benfica tegen Gil Vicente uitgebreid uitgelaten over de schorsing van Gianluca Prestianni.

De aanvaller werd door de UEFA geschorst voor de return tegen Real Madrid in de Champions League na een vermeende racistische uitlating richting Vinícius Júnior. Voor Mourinho is iemand onschuldig tot het tegendeel bewezen is.
Tijdens de persconferentie kreeg Mourinho aanvankelijk een tactische vraag, maar hij begon over het onderwerp dat volgens hem boven de wedstrijd hing. “Ik zal de vraag zo beantwoorden, maar eerst moet ik zeggen dat ik meestal kan inschatten welke vragen jullie gaan stellen en dat ik vandaag andere vragen had verwacht. Ik zeg vooraf dat ik elke vorm van discriminatie en ieder vooroordeel verwerp. Ik raad iedereen ook aan om de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens te lezen. Kritiek zegt vaak meer over degene die het uit dan over degene die wordt bekritiseerd.”
“Ik wil in balans zijn, noch mijn kant verdedigen, noch de andere aanvallen. Ik wil onpartijdig zijn in een zaak die zeer ernstig kan zijn. Ik ben iemand die elke vorm van vooroordeel of domheid verwerp. Áls - en dat herhaal ik meerdere keren - mijn speler deze principes, die de mijne en die van Benfica zijn, niet heeft gerespecteerd, dan eindigt zijn carrière bij een trainer als Mourinho en bij een club als Benfica. Ik ben geen geleerde, maar ook niet onwetend, en onschuldpresumptie is een recht.”
Daarmee doelt Mourinho op het feit dat Prestianni niet schuldig bevonden is, maar wel werd geschorst. “Als jullie willen dat ik twintig keer herhaal wat ik verwerp, dan zal ik dat doen. Ik blijf bij het 'als'. Helaas heeft de UEFA, om de speler uit de wedstrijd te halen, artikel 4206328 aangehaald als reden voor de schorsing. En ook zij hebben het 'als', dat erbij had moeten staan, niet toegevoegd. Als de speler daadwerkelijk schuldig is, zal ik nooit meer op dezelfde manier naar hem kijken als voorheen, en dan is het voor mij klaar. Maar ik moet daar veel 'als'-en voor zetten.” (VI)