PARAMARIBO – Een wetsvoorstel dat de financiële bezittingen van de Staat beter moet beschermen tegen beslaglegging, kan volgens de Surinaamse Orde van Advocaten (SOVA) uiteindelijk juist tegen de overheid...

werken. Als ondernemingen en andere contractspartijen het risico lopen dat zij een rechtmatige vordering op de Staat wel bij de rechter kunnen afdwingen, maar die vordering vervolgens moeilijk kunnen innen, zullen zij dat risico volgens de Orde doorberekenen.
Dat kan leiden tot hogere prijzen, strengere betalingsvoorwaarden en hogere risicopremies voor de Staat. Ook kan de bereidheid van bedrijven om op krediet of voor langere termijn met de overheid zaken te doen, afnemen. De SOVA waarschuwt De Nationale Assemblée daarom dat een regeling die bedoeld is om de financiële positie van de Staat te beschermen, het vertrouwen in de Staat als contractspartij juist kan aantasten.
De discussie draait om een voorgestelde wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het wetsvoorstel wil de mogelijkheden om beslag te leggen op staatsgoederen en vermogensbestanddelen verder beperken. Daarnaast wordt voorgesteld bestaande beslagen op bepaalde staatsvermogensbestanddelen op te heffen en kunnen oude beslagen na vijf jaar onder bepaalde omstandigheden van rechtswege nietig worden.
De SOVA begrijpt dat de overheid een probleem heeft met een groot aantal oude beslagen. Staatsmiddelen die noodzakelijk zijn voor de openbare dienst mogen volgens de Orde niet zomaar worden geblokkeerd. De overheid moet immers haar essentiële taken kunnen blijven uitvoeren. Maar volgens de advocaten wordt in het voorstel onvoldoende onderscheid gemaakt tussen middelen die daadwerkelijk noodzakelijk zijn voor de openbare dienst en andere vermogensbestanddelen van de Staat. Juist dat onderscheid is volgens de SOVA essentieel. Het bestaande recht kent al bescherming. Artikel 436 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering sluit goederen die voor de openbare dienst zijn bestemd uit van beslag. Artikel 436a bepaalt bovendien dat bepaalde onroerende zaken en rechten van de overheid worden geacht voor de openbare dienst bestemd te zijn. De Orde vindt daarom dat een aanvullende regeling niet zo ruim mag worden geformuleerd dat vrijwel ieder staatsvermogen automatisch wordt beschermd. Dat kan volgens haar leiden tot een situatie waarin een onderneming na een gewonnen rechtszaak tegenover de Staat met lege handen staat. Vooral voor toekomstige economische activiteiten kan dat gevolgen hebben. De SOVA wijst daarbij op de toenemende activiteiten rond de olie- en gaswinning. In een sector waarin grote investeringen, langdurige contracten en internationale ondernemingen een belangrijke rol spelen, is voorspelbaarheid volgens de Orde van groot belang.
Als contractpartijen onzeker zijn over de mogelijkheid om een rechtmatige vordering op de Staat uiteindelijk te innen, zullen zij dat risico meenemen in hun commerciële beslissingen. De Staat kan daardoor geconfronteerd worden met hogere kosten of minder gunstige contractvoorwaarden. Een ruimere bescherming van staatsvermogen biedt dan op korte termijn misschien financiële zekerheid, maar kan op langere termijn juist extra financiële druk veroorzaken.
Ook de voorgestelde automatische nietigheid van oude beslagen na vijf jaar vindt de SOVA riskant. Rechtszaken kunnen langer dan vijf jaar duren. Het enkele feit dat gedurende een bepaalde periode geen verdere executie heeft plaatsgevonden, betekent volgens de Orde niet automatisch dat een schuldeiser zijn belang bij het beslag heeft verloren.
De SOVA heeft daarnaast kritiek op het voorstel om bepaalde reeds gelegde derdenbeslagen zonder individuele beoordeling op te heffen. Volgens de Orde moet de onafhankelijke rechter kunnen beoordelen of een beslag daadwerkelijk achterhaald is. Daarbij moeten onder meer de aard van de vordering, de ouderdom van het beslag en de processtand worden meegenomen. De advocaten wijzen bovendien op het niet-functioneren van het Constitutioneel Hof. Juist omdat het wetsvoorstel rechtstreeks kan ingrijpen in bestaande rechtsposities, vindt de SOVA het belangrijk dat constitutionele waarborgen effectief functioneren. Zolang dat niet het geval is, ligt volgens de Orde een extra verantwoordelijkheid bij de wetgever om nieuwe wetgeving zorgvuldig te toetsen aan de Grondwet en internationale verplichtingen. De SOVA pleit niet voor onbeperkte beslagmogelijkheden tegen de Staat. De Orde wil een balans waarbij essentiële publieke middelen worden beschermd, zonder dat rechterlijke uitspraken hun betekenis verliezen. De voorgestelde regeling moet volgens de advocaten daarom worden herzien. Een snelle rechterlijke procedure voor oude beslagen en een scherpere afbakening van daadwerkelijk beschermde staatsgoederen kunnen volgens de SOVA een alternatief bieden. Daarmee kan de Staat haar publieke taken beschermen én haar positie als betrouwbare contractpartij behouden.