PARAMARIBO – Terwijl Suriname zich midden in een ingrijpende herziening van zijn wetgeving en rechtspleging bevindt, is het Constitutioneel Hof feitelijk...

buitenspel gezet. Niet alleen is het hof al geruime tijd niet opnieuw bemenst, sinds kort beschikt het zelfs niet meer over een gebouw.
Daarmee is constitutionele toetsing in de praktijk volledig onmogelijk geworden. Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten, Elleson Fraenk, noemt deze situatie “kwetsbaarheid voor de rechtsstaat”, wat niet langer genegeerd kan worden.
Het Constitutioneel Hof vormt een essentieel onderdeel van het staatsrechtelijke evenwicht. Het biedt burgers, advocaten en maatschappelijke organisaties de mogelijkheid om wetten en besluiten te toetsen aan de Grondwet. Juist in een periode waarin nieuwe wetboeken zijn ingevoerd en verdere institutionele hervormingen worden overwogen, zou dat toetsingsmechanisme op volle kracht moeten functioneren. Het tegenovergestelde is echter het geval: lopende zaken liggen stil en nieuwe zaken kunnen niet eens worden ingediend.
Volgens Fraenk is het ontbreken van een functionerend Constitutioneel Hof geen technisch of logistiek probleem, maar een fundamenteel rechtsstatelijke tekortkoming. “Er is voor advocaten en belanghebbenden geen enkel zicht op behandeling van reeds ingediende kwesties”, waarschuwde zij. Daarmee wordt niet alleen de toegang tot constitutionele rechtspraak geblokkeerd, maar ook het vertrouwen in de werking van de rechtsstaat ondermijnd.
De timing is extra problematisch. Met de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek en het Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verandert de juridische praktijk ingrijpend. Nieuwe rechtsfiguren, gewijzigde procedures en aangescherpte eisen aan procesvoering vragen om duidelijke constitutionele kaders. Zonder een actief Constitutioneel Hof ontbreekt een cruciale controlelaag op de wetgevende en uitvoerende macht.
Daar komt bij dat het publieke debat over hervorming van de rechterlijke macht, waaronder ideeën over een derde instantie en aanpassingen binnen het Openbaar Ministerie, volop gaande is. Juist in zo een context is constitutionele toetsing geen luxe, maar een noodzakelijke waarborg tegen overhaaste of politiek ingegeven wijzigingen. Fraenk benadrukte dat hervormingen nooit mogen neerkomen op een “kansspel” waarbij bestaande waarborgen worden afgebroken zonder volwaardige alternatieven.
Het feit dat het Constitutioneel Hof zelfs geen fysieke huisvesting meer heeft, versterkt het beeld van institutionele verwaarlozing. Het roept vragen op over prioriteiten binnen het staatsbestel. Hoe serieus wordt constitutionele controle genomen als het orgaan dat daarvoor is opgericht, letterlijk dakloos is?
De deken stelde dat het blijvend onder de aandacht brengen van deze kwestie een verantwoordelijkheid is van de advocatuur. Niet uit eigenbelang, maar uit plichtsbesef tegenover de samenleving. Een rechtsstaat kan immers niet functioneren zonder effectieve checks and balances. Wanneer constitutionele toetsing ontbreekt, ontstaat een machtsvacuüm waarin wetgeving ongetoetst blijft en rechtszekerheid afneemt.
De huidige situatie rond het Constitutioneel Hof is daarmee meer dan een organisatorisch falen. Het is een signaal dat de fundamenten van de rechtsstaat onder druk staan. “Zolang het hof niet wordt hersteld, blijft Suriname verstoken van een essentieel democratisch instrument. In een tijd van verandering is dat een risico dat het land zich niet kan permitteren”, zegt Fraenk.