PARAMARIBO – Op maandag 19 januari 2026 zal een panel van rechters in het Surinaamse Hof van Justitie een uitspraak doen,...

die het constitutionele fundament van het land kan hervormen. De zaak in hoger beroep betreft vijf voormalige topfunctionarissen – waaronder een oud-minister van Financiën en een governor van de Centrale Bank – die worden beschuldigd van strafbare feiten wegens beleidsbeslissingen tijdens een ernstige economische crisis.
Toch stellen juridische experts en mensenrechtenwaarnemers dat het proces een fundamentelere vraag oproept:
Kan de Staat het uitoefenen van bestuur zelf criminaliseren?
Een natie op rand van de afgrond en beslissingen die volgden
Het jaar 2019 was een beproeving voor Suriname. De regering had moeite om salarissen en pensioenen te betalen, de nationale munt stond onder zware druk en sociale onrust dreigde. In deze gespannen situatie startte de leiding van de Centrale Bank van Suriname (CBvS), in samenwerking met het Ministerie van Financiën, verschillende financiële projecten.
Hun verklaarde doel was om de staatskas en de monetaire stabiliteit te beschermen tegen instorting.
Tot de maatregelen behoorde het vooraf “afdekken” van toekomstige staatsinkomsten, zoals royalty’s, om onmiddellijke liquiditeit te genereren voor cruciale binnenlandse uitgaven. De verdediging stelt dat dit een noodzakelijke levenslijn was om “de continuïteit van de overheid te waarborgen en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen”, binnen het wettelijke mandaat van de centrale bank.
Het Openbaar Ministerie zag dit anders. Het kwalificeerde de handelingen later als verduistering en machtsmisbruik, wat leidde tot strafrechtelijke vervolging. Het hof moet nu bepalen wie gelijk heeft: de technocraten die handelden in wat zij zagen als nationaal belang, of de aanklagers die er een misdrijf in zien.
Het juridische dieptepunt: kan beleid een misdrijf zijn?
De kern van het hoger beroep raakt aan fundamentele rechtsbeginselen. Het Surinaamse rechtssysteem is “gesloten”: iemand kan alleen worden veroordeeld voor handelingen die expliciet strafbaar zijn gesteld.
“Critici wijzen erop dat ‘beleidsbeslissingen’ op zichzelf geen misdrijven zijn,” zegt een staatsrechtgeleerde die de zaak volgt. “Of ze nu controversieel zijn of niet, ze vallen onder politieke verantwoordelijkheid en parlementair toezicht, niet onder het strafrecht.”
Het Openbaar Ministerie baseert zich vooral op de Anti-Corruptiewet (ACW) van 2017. Maar de verdediging wijst op een cruciaal mankement: ten tijde van de vermeende feiten bestond de vereiste Anti-Corruptiecommissie nog niet en waren de uitvoeringsregels afwezig.
“Een wet zonder operationele structuur kan geen geldige strafrechtelijke basis vormen,” stelt een pleitnota van de verdediging. Bovendien vereist de ACW dat de Staat financieel wordt benadeeld door corruptie. In dit geval werden de middelen gebruikt voor staatsuitgaven, wat de overheid juist ten goede kwam.
Het ontbrekende motief: geen “quid pro quo”
In het strafrecht is intentie alles. Bij corruptie moet worden bewezen dat de verdachte handelde voor persoonlijk gewin – een quid pro quo.
Die ontbreekt hier. Het Openbaar Ministerie heeft zelf bevestigd dat er geen bewijs is gevonden van zelfverrijking, steekpenningen of kickbacks. Aanklachten wegens diefstal of fraude zijn zelfs nooit ingediend.
“Wat overblijft is beleidsvorming,” zegt een mensenrechtenwaarnemer. “En dat hoort thuis in de politieke sfeer, niet in de strafrechtelijke. Zonder bewijs van corrupte intentie stort de hele aanklacht in.”
Het verweer: audits, IMF-lof en soevereine immuniteit
De verdediging wordt gesteund door opmerkelijke bronnen, waaronder het eigen bewijs van het Openbaar Ministerie. Een forensische audit van het gerenommeerde bureau Kroll concludeerde dat de betwiste contracten marktconform en internationaal gebruikelijk waren. Er werden geen “wurgcontracten” of misbruik van fondsen vastgesteld.
Andere officiële rapporten wijzen eerder op stabiliteit dan op plundering. Het jaarverslag van de CBvS over 2019 laat een winst zien van SRD 38 miljoen. De Rekenkamer vond geen onregelmatigheden, en het Bureau voor de Staatsschuld rapporteerde een stijging van 11,5% in de officiële reserves. Internationale instellingen zoals het IMF en de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank prezen de stabiliserende maatregelen tijdens de crisis.
Daarnaast is er een opvallende internationale juridische tegenstelling. Een groot deel van Surinames buitenlandse reserves wordt in het buitenland aangehouden. Nederlandse rechtbanken hebben recent geoordeeld dat zulke reserves, wanneer gebruikt voor monetair beleid, soevereine immuniteit genieten en niet in beslag mogen worden genomen.
De verdediging noemt het onhoudbaar dat handelingen die internationaal als legitiem staatsbeleid worden gezien, in eigen land als misdrijf worden vervolgd.
De menselijke tol en de schaduw van selectieve justitie
Ook het verloop van het proces roept zorgen op. De voormalige president van de CBvS zat 725 dagen in voorarrest zonder veroordeling, een duur die volgens mensenrechtenorganisaties mogelijk in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
Tegelijk klinken steeds luidere geluiden over “selectieve vervolging”. Andere functionarissen die betrokken waren bij vergelijkbare beslissingen in de crisistijd zijn niet aangeklaagd, wat het beeld voedt van politieke vervolging in plaats van onpartijdige rechtshandhaving.
Een uitspraak die meer dan vijf personen zal beoordelen
Het vonnis van 19 januari zal veel verder reiken dan de rechtszaal. Een veroordeling zou volgens veel juristen betekenen dat fundamentele rechtsbeginselen worden genegeerd: toepassing van een niet-operationele wet, herdefiniëring van corruptie zonder persoonlijk gewin, en criminalisering van omstreden beleidskeuzes.
“Dit zou een verlammend effect hebben,” waarschuwt een econoom. “Bij een volgende crisis zullen technocraten uit angst voor vervolging niet durven handelen. Het vermogen van de Staat om doortastend op te treden wordt uitgehold.”
Een duidelijke vrijspraak op basis van de zwakte van de strafzaak zou daarentegen een krachtige bevestiging zijn van de scheiding der machten. Het zou onderstrepen dat beleidsfouten politieke verantwoordelijkheid vereisen, maar niet mogen worden omgevormd tot strafbare feiten zonder bewezen criminele intentie.
Op dit kruispunt oordeelt het Surinaamse Hof van Justitie niet alleen over vijf personen. Het beslist over de grenzen van vervolgingsmacht, de heiligheid van rechtsprincipes in tijden van crisis, en waar beleid eindigt en misdaad begint.
De klap van de hamer markeert geen einde, maar een keerpunt voor de democratie van een natie.