PARAMARIBO – De staatsschuld van Suriname is in negen maanden met ruim USD 700 miljoen gestegen naar USD 4,8 miljard. Volgens de Vereniging van Economisten...

in Suriname (VES) dreigt de recente schuldherschikking de financiële druk niet weg te nemen, maar juist door te schuiven naar toekomstige regeringen. De organisatie waarschuwt dat Suriname momenteel wel tijdelijke ademruimte heeft gekregen, maar tegelijk ‘nieuwe tijdbommen’ heeft gecreëerd die in de komende jaren kunnen ontploffen. Uit een analyse van de VES op basis van de Schuldrapportage 2025 van het Bureau voor de Staatsschuld en aanvullende cijfers tot en met maart 2026 blijkt dat de totale binnenlandse en buitenlandse staatsschuld per eind maart is opgelopen tot USD 4,8 miljard. Omgerekend bedraagt de schuld inmiddels SRD 180,7 miljard. Dat betekent een stijging van SRD 26 miljard in slechts negen maanden onder de regering-Simons/Rusland. Volgens de economen is de groei van de schuld voornamelijk veroorzaakt door nieuwe multilaterale leningen, de uitgifte van twee internationale obligaties en de opname van het zogeheten Value Recovery Instrument (VRI) als commerciële schuldverplichting.
In oktober vorig jaar werden twee nieuwe obligaties uitgegeven: een lening van USD 525 miljoen met een looptijd van vijf jaar tegen een rente van 7,7 procent en een tweede lening van USD 1,05 miljard met een looptijd van tien jaar tegen een rente van 8,5 procent. Daarnaast werd in februari dit jaar nog eens USD 265 miljoen toegevoegd aan de bestaande tienjarige obligatie. Volgens de VES komt het totale bedrag aan nieuwe leningen onder deze regering daarmee neer op bijna USD 1,9 miljard. Opvallend daarbij is dat slechts USD 189 miljoen daadwerkelijk vrij besteedbaar zou zijn voor sociale projecten binnen de begroting.
De economen plaatsen vooral vraagtekens bij de afwikkeling van het VRI. Dit instrument was oorspronkelijk opgezet als een voorwaardelijke verplichting die alleen hoefde te worden afgelost, zodra Suriname inkomsten uit offshore olie- en gaswinning zou ontvangen. De regering heeft volgens de VES deze constructie echter omgezet in een harde commerciële schuldverplichting van USD 373 miljoen, waarna deze in januari 2026 werd afgewikkeld. “De omzetting van een voorwaardelijke verplichting naar een directe commerciële schuld waarvoor bovendien een nieuwe lening tegen 8,5 procent rente is aangegaan, is moeilijk te begrijpen”, stelt de VES.
Ook de besteding van geleende middelen baart zorgen. Uit cijfers van het Bureau voor de Staatsschuld blijkt dat 44 procent van de schuldmiddelen eind 2025 werd gebruikt voor begrotingssteun en lopende uitgaven. Slechts twee procent ging rechtstreeks naar productieve sectoren die economische groei moeten stimuleren. Volgens de VES is juist daar een fundamenteel probleem ontstaan. Leningen worden volgens de organisatie te vaak ingezet voor consumptieve doeleinden, terwijl daar onvoldoende verdiencapaciteit tegenover staat. “Voor iedere lening moet een economische opbrengst worden gecreëerd waarmee die schuld op termijn kan worden terugbetaald”, stelt de organisatie. Daarnaast wijst de VES op een ander groeiend probleem: het schuldplafond. De schuld-bbp-ratio bedraagt momenteel ongeveer 130 procent, terwijl de wettelijke norm op 60 procent ligt. In een wijziging van de Wet op de Staatsschuld kreeg de regering echter tot april 2029 de tijd om opnieuw onder die grens te komen.
Volgens de VES zal dit nauwelijks via aflossingen kunnen gebeuren. Alleen een sterke groei van het bruto binnenlandsproduct, mogelijk door toekomstige olie- en gasinkomsten, zou de verhouding nog aanzienlijk kunnen verbeteren. Ondanks de huidige financiële rust waarschuwen de economen voor zware toekomstige verplichtingen. In november 2030 staat een zogeheten bullet payment van USD 1 miljard gepland, gevolgd door nog eens USD 1,3 miljard in november 2035. Volgens de VES betekent dit dat toekomstige regeringen vrijwel onvermijdelijk opnieuw zullen moeten lenen of opnieuw schuldherschikkingen zullen moeten aangaan.
De grootste schuldeiser van Suriname blijkt inmiddels de commerciële sector te zijn. Commerciële crediteuren vertegenwoordigen samen USD 1,956 miljard aan schuld, waarvan alleen de Bank of America goed is voor USD 1,84 miljard. Daarna volgen multilaterale instellingen zoals de IDB met USD 1,026 miljard en het IMF met USD 350 miljoen. China blijft met USD 446 miljoen de grootste bilaterale schuldeiser. De waarschuwing van de VES is duidelijk: de huidige rust op de korte termijn mag niet worden verward met structurele financiële gezondheid. De rekening lijkt volgens de economen vooral te zijn doorgeschoven naar de toekomst.