PARAMARIBO – Tijdens de 163e herdenking van de afschaffing van de slavernij bij het standbeeld van Kwakoe in Paramaribo hebben verschillende sprekers stilgestaan bij de betekenis van vrijheid, erkenning en de noodzaak van historisch herstel.
Naast het herdenken van het slavernijverleden werd ook nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de ontwikkeling van de jeugd en het versterken van nationale eenheid.
Jeremiah Pinas, plaatsvervangend ondervoorzitter van de Jeugdraad Suriname, benadrukte dat de thema’s van dit jaar – erkenning, gerechtigheid en ontwikkeling – onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Volgens hem helpen erkenning en gerechtigheid om de pijn, strijd en veerkracht van de voorouders levend te houden, maar tegelijkertijd moet de blik op de toekomst worden gericht.
Pinas stelde dat de grootste eer aan de voorouders niet alleen schuilt in het herdenken van hun strijd, maar vooral in het bouwen van een samenleving waarin iedere Surinamer de kans krijgt zijn of haar talent volledig te ontwikkelen. Hij riep jongeren op het slavernijverleden niet alleen als herinnering te zien, maar ook als een bron van kracht en bewustwording.
Volgens hem moet de geschiedenis jongeren waakzaam maken voor ongelijkheid, uitsluiting en systemen die de ontwikkeling van mensen belemmeren. “Wij moeten dit verleden begrijpen, erkennen en actief een halt toeroepen waar de gevolgen ervan nog zichtbaar zijn”, zei hij. Daarbij verwees hij naar internationale principes van de Verenigde Naties over vrijheid, waardigheid en gelijke kansen.
Pinas deed ook een oproep aan beleidsmakers, maatschappelijke organisaties en andere verantwoordelijke instanties om de jeugd centraal te stellen in de ontwikkeling van Suriname. Volgens hem moet worden voorkomen dat een nieuwe generatie opnieuw wordt geconfronteerd met achterstelling en gemiste kansen. “Alleen wanneer wij investeren in de ontwikkeling van onze jeugd, bouwen wij aan een Suriname waarin de ketenen van het verleden definitief worden vervangen door de kansen van de toekomst”, aldus Pinas.
Voorzitter van de Feydrasi Fu Afrikan Srananman, Iwan Wijngaarde, pleitte voor meer aandacht voor alle bevolkingsgroepen die onder slavernij hebben geleden. Volgens hem delen inheemsen en Afro-Surinamers een geschiedenis van onderdrukking en onmenselijke behandeling, waarvan de gevolgen nog steeds zichtbaar zijn. Hij riep de aanwezige autoriteiten op deze gezamenlijke geschiedenis te erkennen en daar in beleid en samenleving meer aandacht aan te besteden.
De ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden, Walter Oostelbos, stond eveneens stil bij de betekenis van 1 juli. Hij wees erop dat niet alleen in Suriname, maar ook in Nederland en het Caribische deel van het koninkrijk de afschaffing van de slavernij wordt herdacht. Oostelbos herinnerde eraan dat op 1 juli 1863 de slavernij formeel werd afgeschaft, maar dat ruim 33.000 voormalige tot slaaf gemaakten vervolgens nog tien jaar onder staatstoezicht moesten blijven werken. Volgens hem was de weg naar daadwerkelijke vrijheid daardoor allesbehalve eenvoudig.
Ook assembleevoorzitter Ashwin Adhin hield een toespraak waarin hij zich liet inspireren door het gedachtegoed van verzetsstrijder en schrijver Anton de Kom. Hij citeerde uit diens werk en benadrukte dat De Kom de Surinaamse geschiedenis beschreef vanuit het perspectief van het volk en niet vanuit dat van de machthebbers.
Volgens Adhin staat Keti Koti symbool voor een volk dat zijn geschiedenis kent, elkaar erkent en de offers van de voorouders blijft eren. Hij riep op om hun nalatenschap levend te houden en de betekenis van vrijheid door te geven aan toekomstige generaties.