Chiel Verbruggen, kenner van en auteur over het Surinaamse zakenrecht, heeft in SJB 2016 no. 1, erop gewezen dat in Suriname nauwelijks gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot onteigening. Ook schrijver dezes heeft over dit onderwerp gepubliceerd.

https://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/85674
De bedoelde artikelen zijn ongeveer tien jaar geleden verschenen. Mij is echter in deze periode geen geval bekend, waarin de Staat gebruikgemaakt heeft van onteigening. Het laatste in de Surinaamse jurisprudentie bekende geval is de zaak Hiwat ca Suriname (1976). Daarbij ging het om de onteigening van een deel van de plantage Remoncourt voor de bouw van transmigratiedorpen voor personen die hun huisvesting hadden verloren door de aanleg van het Brokopondostuwmeer.
Voor een goed begrip van de materie wordt verwezen naar de eerdergenoemde publicaties. Hierna wordt slechts globaal ingegaan op de betekenis van onteigening en de daarvoor geldende procedure.
Artikel 34 Grondwet bepaalt dat eenieder recht heeft op ongestoord genot van zijn eigendom, behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien. Onteigening kan uitsluitend geschieden in het algemeen belang, volgens de bij wet te stellen regels en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling. Ter uitvoering hiervan is in 1904 de Onteigeningswet in werking getreden. Vanwege het ingrijpende karakter van onteigening vormt de wettelijke waarborg een belangrijk uitgangspunt. Indien de Staat tot onteigening wenst over te gaan, moet deze geschieden bij een afzonderlijke wet, in de praktijk een “nutswetje” genoemd. Aanname door DNA en de vereiste publicatie zijn noodzakelijk. Omdat onteigening uitsluitend in het algemeen belang mag plaatsvinden, is de parlementaire behandeling in beginsel van formele aard.
Wereldwijd worden onteigeningen regelmatig toegepast. In Suriname zijn er gedurende het ruim 120-jarige bestaan van de Onteigeningswet slechts enkele onteigeningen geweest. Het precieze aantal is niet bekend, daar geen afzonderlijk register wordt bijgehouden. Dit zou echter kunnen worden vastgesteld, aangezien voor iedere onteigening een afzonderlijke wet nodig is. Een bekend voorbeeld is het Brokopondoproject, waarbij onteigening plaatsvond ten behoeve van Suralco voor de aanleg van een dam en stuwmeer. Onteigening hoeft dus niet uitsluitend ten behoeve van de Staat plaats te vinden, maar kan ook geschieden ten behoeve van een bepaalde (rechts)persoon.
Wanneer de Staat of een bedrijf, bijvoorbeeld Staatsolie, een registergoed nodig heeft voor de uitvoering van een werk in het algemeen belang, wordt doorgaans geprobeerd het goed vrijwillig te verwerven. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, kan het project worden uitgesteld of zelfs afgeblazen. Dat kan nadelige gevolgen hebben voor de economische ontwikkeling. In een radio-interview hoorde ik het verhaal dat een buitenlandse elektriciteitsmaatschappij op enig moment bereid zou zijn geweest met de Staat en/of EBS een overeenkomst te sluiten waardoor het elektriciteitsprobleem structureel zou worden opgelost. Het bedrijf zou daarbij terreinen van enkele tientallen hectaren nabij Paramaribo hebben verlangd. Volgens het verhaal zou de Staat na onderzoek hebben meegedeeld dat dergelijke terreinen niet beschikbaar waren.
Dat antwoord kan op zichzelf juist zijn, maar betekent niet dat de Staat niet aan de benodigde terreinen had kunnen komen. Door gebruik te maken van het wettelijke instituut van onteigening had dit mogelijk kunnen worden opgelost.
Ook recent stond een advertentie van Staatsolie in de kranten waarin eigenaren van percelen die nodig zijn voor een nieuw project werden opgeroepen contact op te nemen met Staatsolie.
Verbruggen vermeldt in zijn artikel een geval uit 2013 waarbij Staatsolie een pijpleiding had aangelegd van haar locatie te Livorno naar de haven van Paramaribo. De tegenprestatie die de rechthebbenden verlangden, maakte het project volgens hem zeer kostbaar en tijdrovend. Hij was van mening dat toepassing van de onteigeningsprocedure een eenvoudiger oplossing zou zijn geweest. Of dat in dit concrete geval inderdaad zo is, staat uiteraard niet vast. Wel is het van belang de werking van de onteigeningsprocedure opnieuw onder de aandacht te brengen en te wijzen op de mogelijkheid om deze, zoals in het verleden, opnieuw toe te passen. Daarbij wordt vooral de aandacht van de DNA-leden, zowel coalitie als oppositie, gevraagd.
De invoering van het Nieuw B.W. heeft geen invloed gehad op de onteigening. Deze is geregeld in een afzonderlijke Onteigeningswet en behoort tot het staats- en bestuursrecht.
Een belangrijke reden waarom onteigening in Suriname nauwelijks wordt toegepast, is de vrees voor een langdurige parlementaire procedure. Dit probleem doet zich ook in andere landen voor. Daarom is in de meeste landen (onder andere Nederland) de parlementaire behandeling afgeschaft en het onteigeningsrecht grotendeels bij de uitvoerende macht gelegd, met waarborgen voor een rechtvaardige schadeloosstelling en rechterlijke toetsing. In Nederland, de bakermat van ons rechtsstelsel, verloopt onteigening sinds 2024 via de Omgevingswet, waarin de regels over de fysieke leefomgeving zijn gebundeld.
Onteigening is niet slechts een middel om eigendom te verwerven. Mits zorgvuldig en met volledige inachtneming van de wettelijke waarborgen toegepast, kan deze ook een belangrijk instrument zijn voor de uitvoering van projecten in het algemeen belang en daarmee voor de economische ontwikkeling van Suriname.
Carlo Jadnanansing