PARAMARIBO – De staat Suriname heeft een belangrijke juridische overwinning geboekt in het slepende aanbestedingsgeschil met aannemingsbedrijf Baitali NV.

De kantonrechter heeft dinsdag alle nieuwe vorderingen van Baitali afgewezen, de verdere executie van een eerder vonnis geschorst en geoordeeld dat het bedrijf misbruik maakt van zijn executierecht. Daarmee krijgt de regering ruimte om het omstreden infrastructuurproject voort te zetten zonder verdere juridische blokkades van de aannemer. Het conflict vindt zijn oorsprong in een vonnis van 10 juli 2025, waarin de Staat werd opgedragen de inschrijving van Baitali NV opnieuw te beoordelen binnen een aanbestedingsprocedure die wordt gefinancierd door de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB). Volgens Baitali NV heeft de Staat echter nagelaten dit vonnis volledig uit te voeren en werden tijdens de aanbesteding afspraken gemaakt met concurrent Kuldipsingh NV buiten het formele aanbestedingskader om.
Om die reden stapte Baitali opnieuw naar de rechter. Het bedrijf eiste onder meer dat de Staat binnen twee dagen alle documenten zou overleggen die op 7 maart 2025 naar de IDB waren gestuurd voor goedkeuring, waaronder het onderhandelingsrapport. Daarbij werd een dwangsom geëist van SRD 10 miljoen per overtreding en SRD 1 miljoen voor elke dag dat de Staat niet aan het bevel zou voldoen.
Volgens Baitali was sprake van schending van aanbestedingsregels en het transparantiebeginsel. Het bedrijf stelde dat overleg tussen de Staat en Kuldipsingh buiten de officiële aanbestedingsprocedure had plaatsgevonden en daarom van rechtswege nietig zou zijn.
De Staat weersprak die beschuldigingen krachtig. Volgens het Ministerie van Openbare Werken waren de gevraagde documenten grotendeels gerelateerd aan Kuldipsingh en niet aan Baitali. Daarnaast stelde de Staat dat de IDB het evaluatierapport reeds had goedgekeurd voordat onderhandelingen met de geselecteerde inschrijver plaatsvonden. Van enige overtreding van de aanbestedingsregels zou daarom geen sprake zijn.
De kantonrechter volgde die redenering grotendeels. Bij de beoordeling van het verzoek om inzage in documenten verwees de rechter naar artikel 843a van het Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor een dergelijke vordering moet aan drie wettelijke voorwaarden worden voldaan. Volgens de rechter slaagde Baitali er niet in om aan één van deze voorwaarden te voldoen, waardoor de vordering werd afgewezen.
Ook het verzoek om de reeds opgelegde dwangsommen fors te verhogen kreeg geen gehoor. De rechter wees erop dat het eerdere vonnis van 10 juli 2025 op 25 juli 2025 onherroepelijk is geworden. Omdat geen hoger beroep werd ingesteld, staat de inhoud van dat vonnis juridisch vast. Een nieuwe inhoudelijke beoordeling van reeds behandelde geschilpunten is volgens de rechter niet mogelijk binnen het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.
Minstens zo opmerkelijk was het oordeel over de tegenvordering van de Staat. De regering voerde aan dat Baitali misbruik maakte van haar executierecht door het eerdere vonnis te blijven inzetten, terwijl de Staat reeds gedeeltelijk uitvoering had gegeven aan de opgelegde verplichtingen. Bovendien zou voortgezette executie aanzienlijke schade kunnen veroorzaken aan het algemeen belang, de voortgang van het project en de belangen van derden.
De kantonrechter gaf de Staat hierin grotendeels gelijk. Volgens het vonnis bestaat de voornaamste schade die Baitali nog lijdt, reputatieschade is, terwijl de Staat inmiddels al stappen heeft gezet om uitvoering te geven aan het eerdere vonnis. Onder die omstandigheden achtte de rechter verdere executiemaatregelen niet gerechtvaardigd.
De rechter besloot daarom de verdere executie van het vonnis van 10 juli 2025 te schorsen, totdat in een bodemprocedure definitief uitspraak is gedaan over het onderliggende geschil. Daarnaast kreeg Baitali een verbod opgelegd om het eerdere vonnis verder te executeren. Bij overtreding geldt een dwangsom van SRD 10.000 per dag, met een maximum van SRD 1 miljoen.
Ook werd het bedrijf verboden de voortzetting van het project te hinderen. Voor overtreding van dat verbod geldt dezelfde dwangsomregeling. Bovendien werd Baitali veroordeeld tot betaling van de proceskosten, waaronder een bedrag van SRD 2.500 aan liquidatietarief. Met deze uitspraak lijkt de juridische positie van de Staat voorlopig aanzienlijk te zijn versterkt. Hoewel het geschil nog in een bodemprocedure zal worden uitgevochten, heeft de rechter duidelijk gemaakt dat verdere drukmiddelen van Baitali voorlopig van tafel zijn en dat het betrokken project zonder nieuwe executiemaatregelen kan worden voortgezet.